Geschiedenis-lite: Julius Caesar

Vroeger was alles beter. Met dat in gedachte voel ik mij geroepen de wereld ongevraagd te voorzien van wat diepere kennis van onze meer illustere voorgangers op deze Aardbol. Aangezien de aandachtsspanne van de gemiddelde mens in deze nieuwe eeuw is gedaald tot zo’n vijfhonderd woorden per keer,  houd ik het luchtig, met hier en daar een artistieke vrijheid.

We beginnen met de man die wier achternaam is veranderd in de titel van een monarch: Julius Caesar.

Gaius Julius Caesar werd geboren op 12 Quintilis in het jaar 100 voor Christus. Zoals een echte baas het betaamt, besloot hij de maand vele jaren later Juli te noemen. Ter ere van hemzelf natuurlijk. De Julia familie zou afstammen van Aeneas van Troje die op zijn beurt de zoon van Venus zou zijn. Geen misselijke stamboom dus.

Door het eeuwige onderlinge gezeur tussen de Romeinen werd Caesar op zijn 16e vogelvrij verklaard door dictator Sulla en vluchtte hij naar Azie. Na de dood van Sulla keerde hij terug en werd hij advocaat. Langzamerhand begon hij zich ook op te werken binnen de politiek. Door een vrachtwagenlading geld te lenen van Marcus Crassus, die eikel van Spartacus, en een gezonde dosis demagogie schopte hij het tot consul.

Aangezien de schijn van democratie opgehouden moest worden verdeelde Caesar de macht netjes met Marcus Crassus en Gnaeus Pompeius Magnus. Voor wat extra goodwill gaf Caesar zijn jonge dochter aan Pompeius, want daar waren vrouwen toen voor. Wat nou emancipatie. Caesar werd de baas van Gallië voor de Alpen en Illirië (rechts van die laars). Caesar zou Caesar niet zijn als hij niet vrijwel direct begon alle gebieden om hen heen te annexeren. Al die gillende barbaren is natuurlijk geen porum. Iedereen moet netjes Latijn praten en ophouden met dat heidense gezeik. In zo’n zes jaar slacht hij de gehele inheemse bevolking uit breidt daarmee het glorieuze Romeinse rijk uit tot aan de Rijn.

Als er iets is dat de meute in Rome stoer vindt is het mensen die dingen veroveren en glimmende objecten meenemen en op straat gooien. Pompeius en Crassus zagen de bui al hangen en besloten snel om Caesar uit te nodigen en zo hun verbond te verlengen. Helaas voor Crassus ging hij niet veel later dood in zijn eigen poging het rijk uit te breiden in Azie. Met het verdwijnen van deze rijke rivaal moest Caesar alleen nog afrekenen met de dementerende Pompeius. Laatstgenoemde maakte dit makkelijker door zijn voormalige bondgenoot publiekelijk af te zweren. Caesar stak met zijn leger de Rubicon over, verdreef Pompeius uit de stad en jaagde hem naar Afrika, waar hij spijtig genoeg werd vermoord.

Met al zijn vijanden dood en begraven liet Caesar zich in 45 voor Christus uitroepen tot dictator voor het leven. De voormalig bondgenoten van Pompeius vergaf hij als gebaar van welwillendheid en vrede. Een vriendelijk, maar dom gebaar. Nog geen jaar later op een lente dag in Maart staken zijn ‘vrienden’ hem 23 keer in zijn borst. De laatste steek werd uitgedeeld door één van de grootste verraders uit de geschiedenis: Marcus Junius Brutus.

Related posts

Leave a Comment